Militaire inzet gelinkt aan economische belangen in West Papua

Een standbeeld van de Indonesische generaal L.B. Moerdani in het regentschap Merauke, in de provincie Zuid-Papoea.

In West Papua zijn het leger, de overheid en de economie nauw met elkaar verweven. Overheidsbeleid lijkt vooral gericht op het vergroten van de controle over West Papua: militaire invloed en economische belangen spelen hierbij een belangrijke rol. De reputatie van het leger in West Papua is op zijn zachtst gezegd slecht. Meerdere rapporten wijzen op de jarenlange corrupte inmenging van het leger in de economie van West Papua. Recente ontwikkelingen maken die verwevenheid nog duidelijker. Begin 2025 is er een wetswijziging voorgesteld van TNI-wet nr. 34/2004: het biedt militairen de mogelijkheid om 16 civiele overheidsfuncties te vervullen. Ook mag de president eigenhandig bepaalde operaties, bijvoorbeeld tegen cyberaanvallen, goedkeuren, zonder politieke steun. Daarmee groeit hun invloed buiten het strikt militaire domein.

Anum Siregar | afbeelding: Woman Peacemaker Program

De motivatie achter deze betrokkenheid is tweeledig. Enerzijds gaat het om het ontsluiten van moeilijk bereikbare gebieden en het stimuleren van economische ontwikkeling. Anderzijds is inzet van militairen bedoeld om de controle te versterken in conflictregio’s waar zelfbeschikking en landrechten van Papoea’s onder druk staan. De staatsideologie moet te allen tijde beschermd worden. Al in 2021 waarschuwde mensenrechtenadvocaat en directeur van de Democratische Alliantie voor Papua (AlDP), Anum Siregar, dat de aanwezigheid van het leger in West Papua nauw verweven is met zowel veiligheidspolitiek als economische belangen. 

Een Papoea-man (rechts) in traditionele kleding, met zijn gezicht beschilderd in de kleuren van de verboden Morgenster-vlag, staat op 1 december 2023 naast een politieman tijdens een demonstratie in Yogyakarta. De betoging riep op tot een onafhankelijkheidsreferendum voor Papua. (AFP/Devi Rahman)

Volgens Siregar grijpt het leger niet alleen in onder het mom van staatsveiligheid, maar is het ook actief betrokken bij economische projecten. Militairen zijn betrokken bij infrastructuurprojecten zoals de Trans-Papua Highway en het Nationaal Strategisch Project voor voedsel- en energievoorziening. Volgens onderzoek van onder andere The Gecko Project worden hierbij ook elite-eenheden ingezet die bekendstaan om hun gewelddadige optreden. Wanneer bedrijven economische activiteiten starten in een gebied, wordt dit al snel tot ‘gevoelig gebied’ verklaard, wat militaire aanwezigheid legitimeert. Dit geldt onder andere voor de nikkelmijn in Tablasufa, waar militaire posten verschenen na de start van de mijnbouw, onder het mom van veiligheid. Siregar wijst op het feit dat het leger in meerdere regio’s economische belangen beschermt, onder meer via de beveiliging van zogenaamde vitale nationale objecten en grensgebieden. Daarbij opereert het leger regelmatig buiten wettelijk aangewezen zones en beïnvloedt de lokale besluitvorming. Militairen nemen bovendien sleutelposities binnen bedrijven in, bijvoorbeeld als commissaris, en treden soms zelfstandig op als ondernemer. Wat zijn de gevolgen voor de Inheemse bevolking?

 

Deze verwevenheid met economische belangen leidt tot verzwakking van het burgerlijk bestuur en daarmee de rechtspositie van de Inheemse bevolking. Siregar noemt het voorbeeld van houtkapbedrijven die, ondanks verboden van lokale overheden, toch hun gang konden gaan dankzij militaire steun. Veiligheidstroepen intimideren ondernemers, beïnvloeden bestuurders, waarbij tegenwerking door de Inheemse bevolking wordt gestigmatiseerd als anti-ontwikkeling of separatistisch. Dit legitimeert weer militair -gewelddadig- ingrijpen, gevangenschap, soms met dodelijke afloop.