Oranjekoorts in West Papua
Tijdens het WK van 2022 en nu ook het EK 2024 reisde journalist Daan Goppel door West Papua. Wat hij daar aantrof, verraste veel Nederlanders: Papoea’s die massaal het Nederlands elftal aanmoedigen. Straten versierd met oranje vlaggen, tv-schermen waarop hele dorpen zich verzamelen om samen te kijken. Maar deze Oranjegekte gaat verder dan sport.
Voor veel Papoea’s is de steun aan Oranje een manier om hoop en verbondenheid te voelen in een context die daar weinig ruimte voor laat. West Papua is al decennialang een regio waar de inheemse bevolking te maken heeft met uitsluiting, militarisering en gebrek aan zeggenschap over hun eigen leefomgeving. In die omstandigheden biedt het volgen van een internationaal toernooi, en het juichen voor Nederland, een zeldzaam moment van vreugde en samenzijn.
Die verbondenheid met Nederland komt niet uit het niets. Oudere generaties herinneren zich nog ‘de Nederlandse tijd’, toen West Papua kortstondig een eigen vlag, volkslied en hoop op onafhankelijkheid kende onder Nederlands toezicht. De teleurstelling over het plotselinge vertrek van Nederland in de jaren zestig leeft voort, maar de culturele band is voor velen gebleven — zichtbaar in de kleuren oranje en in de verhalen die doorgegeven worden.
Het verslag van Goppel laat zien hoe een voetbaltoernooi ook iets blootlegt van een dieper liggend gevoel: gemis, trots en het verlangen gezien te worden. Niet als toeristische bestemming of als conflictgebied, maar als volk met een eigen geschiedenis en identiteit