“Ons dagelijks leven staat onder toezicht”
, aldus Mgr. Bernardus Bofitwos Baru O.S.A., bisschop van Timika en zelf Papoea. Volgens hem zorgt de aanwezigheid van het Indonesische leger voor angst en onveiligheid. Het gewone leven in dorpsgemeenschappen wordt regelmatig verstoord door militaire posten en beperkingen op verkeer. Hij wijst er ook op dat er niet alleen sprake is van een avondklok, maar ook van een “activiteitenrooster” dat bepaalt wanneer mensen zich kunnen verplaatsen en welke activiteiten door kunnen gaan.
Voor veel Papoea’s in en rond Timika is de groei van het aantal militairen dagelijks merkbaar. Het zit in dagelijkse momenten: een controlepost op de weg naar de tuin, een vraag die je moet beantwoorden voordat je door mag, of een bijeenkomst die wordt afgebroken omdat het “niet uitkomt”. Wat vroeger vanzelfsprekend was — jagen, tuinieren, samenkomen — raakt stap voor stap ingeperkt.
De Indonesische regering noemt ‘nationale veiligheid’ als reden voor de inzet. In Jakarta wordt gesproken over ongeveer 12.300 militairen die in West Papua gestationeerd zijn. Voor veel Papoea’s voelt dat niet als bescherming, maar als een permanente aanwezigheid die wantrouwen voedt en relaties in de gemeenschap onder druk zet.
Baru roept de overheid op om in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van de gemeenschap, juist om verdere escalatie te voorkomen. Tegelijk klinkt in lokale berichtgeving de zorg dat militairen niet alleen worden ingezet tegen gewapende groepen, maar ook om economische belangen rond onder meer plantages en mijnbouw af te schermen.